Bredeweg

20 oktober 2007

Dat ik besluiteloos ben kan niemand me verwijten. Ik geef richting aan, stuur naar rechts en draai. Al mijn hele jeugd zwierf ik door deze straten en overwoog bij iedere auto hoe graag ik dat exemplaar wilde bezitten. Ik werkte in loondienst tot ik besloot voor welke model ik me in de schulden ging storten.
   Ik nader een kruispunt en verheug me op het zacht knappende geluid van de banden over de tramrails. Een lieflijk geluid, of zwaarmoedig, naar gelang de omstandigheden.
   Het plan is in vijf jaar deze investering terug te verdienen. Een nieuw kruispunt naderend moet ik voorsorteren. Links, rechts, rechtdoor, allemaal rood. Bij het vak naar rechts springt het stoplicht juist op groen en ik schuif door de bocht. Er gaat niets boven alleen in de auto zitten.
   Aan het begin van een tunnel laat ik de luchtstroom recyclen en sluit de ramen, waardoor alleen het geluid klinkt van de door de tunnel suizende wagen, of van de zee. Het wordt al licht aan het eind van de lege tunnel als ik spastisch de linker weghelft opschiet. Ik nam me ooit voor de verkeersregels te respecteren, maar rijd nu links. Een wagen opeens achter me moet remmen en toetert. Ik schiet vooruit, maar de ander blijft boos en ik wijk uit naar rechts. We razen naast elkaar de tunnel uit en remmen hard voor de naderende stoplichten als aan de rechterkant van de weg een fiets opduikt, een zwarte herenfiets. Ik sla het stuur om, zet boordcomputer op manual, trek aan de handrem, draai een kwartslag naar links en zie de andere wagen langs me heen schieten. Vlak achter hem kom ik tot stilstand en kijk de fietser na, die gestaag de vier banen van de weg oversteekt.
   Een vogel poept op de voorruit. Er spuit een wolk omhoog van oneindig fijne druppels die met één, twee zwaaien van de ruitenwisser de klodder opnemen en afvoeren.

Advertenties

Speerstraat

24 augustus 2007

Er zat een tweeling achter in de auto. Een lelijke, babbelende tweeling. Ik voelde me aardig buitengesloten en draaide mijn spiegeltje zo, dat ik ze eens goed kon bekijken. In alles waren ze bijna exact hetzelfde.
   Dezelfde dikke brilleglazen, maar met een andere kleur montuur. Hetzelfde dunne haar, maar een andere haarspeld. Dezelfde kleur vest, maar met een ander motief. Hetzelfde lange gezicht, dezelfde haakneus, dezelfde steenpuist, maar op een andere plek. Toen ze uitgestapt waren en ze vast dachten dat ik ze niet meer kon horen:
   ‘Hij keek naar mij!’
   ‘Echt niet, hij keek naar mij!’
   ‘Waarom zou die naar jou kijken, je bent zo lelijk als de nacht!’
   Brullend gelach.